Theekransje

Daar gaat de deurbel weer. Hannie loopt naar de deur, theepot nog in de hand.

“Elise, fijn dat je er bent!” De dames zoenen de lucht aan weerszijde van elkaars hoofd.  “Ik kan even niet helpen met je jas, zoals je ziet.” Hannie maakt een verontschuldigend gebaar met de theepot.

“Ik red het wel hoor,” zegt Elise. Haar jas gaat aan een hanger, haar tas op de gang, maar niet voordat ze haar leesbril eruit heeft gevist en een mapje met foto’s.

“Zijn dat de kleinkinderen?” vraagt Hannie, niet overlopend van enthousiasme. Elise’s kleinkinderen zijn altijd de beste in de klas, rennen het hardst, spelen piano, viool, blokfluit en hebben volgend jaar waarschijnlijk hun wondermiddel tegen kanker af. En inderdaad, Elise begint ook nu weer een litanie over hun meest recente triomfen.

Hannie zucht diep en leidt Elise de woonkamer in, waar ze de andere dames kan vervelen met haar foto’s en verhalen. Ze zet Elise naast An, die luistert ook nooit naar een ander. De twee dames beginnen ongestoord tegen elkaar aan te praten, over twee verschillende onderwerpen, zonder zich aan elkaar te storen. Hannie kan met een gerust hart terug naar de keuken om de vlaai in stukken te snijden. Ze maakt die altijd zelf, op zaterdagmiddag. Hannies veelgeprezen vlaai is beroemd in het dorp, en het recept is een strict familiegeheim.

“Als ik dood ben, dan mag je ‘m hebben,” zegt ze altijd als iemand erom vraagt.

Het is bedoelt als grap, maar het zou haar toch niets verbazen als de dames van de Hervormde kerk de dag na de begrafenis op de stoep zouden staan om Willem om het recept te vragen. Deze week is het kersenvlaai, en het is weer een goeie. Het is toch altijd weer een bijzonder moment als ze de voorkamer binnenloopt met het dienblad en de moede, oude ogen van de dames van het dorp oplichten. De vlaai van Hannie, daar komen ze voor, meer nog dan de gezelligheid. Ook nu weer gaan ze wat rechter op zitten, om over de rand van het dienblad te kunnen kijken.

“Oh, het is weer een goeie hoor,” zegt Jet.

Hannie glimt en zet de vlaai voorzichtig neer op de koffietafel. An schiet behulpzaam toe om bordjes uit te delen. Hannie geeft Elise een stuk, met een zachter hart nu er een stuk taart tussen hen zit, en achter Elise ziet ze door het raam hoe Hans en Bep voorbij schuifelen. Arm in arm, weggedoken in hun jassen, sjaals om en handschoenen aan. Hannie ziet dat ze zacht met elkaar praten, terwijl ze de gladde stoep in de gaten blijven houden. Bep kijkt even op, Hannies huis in, en hun ogen ontmoeten elkaar. Bep: rode neus van de kou, haar keurige permanent zo goed en zo kwaad als het kan beschermd door een sjaaltje. Hannie: een bordje met een stuk kersenvlaai in de hand, temidden van het wekelijkse theekransje. Bep was niet uitgenodigd. Ze is nooit uitgenodigd. De dames van het dorp zijn veel te beschaafd om het te zeggen, maar zestig jaar later denken ze het nog steeds: moffenhoer.

Elise trekt voorzichtig het bordje – dat toch voor haar bedoelt was! – uit Hannies handen. De vlaai ziet er weer lekker uit vandaag.

Advertisements

Schaatsen

De wekkerradio rukt Mariska uit een verontrustende droom. Wat er precies in gebeurde is ze al vergeten zodra ze de radio wat zachter zet, maar het gevoel dat er iets mis is blijft hangen. Ze schiet snel haar kleren van gisteren aan, doet de gordijnen open – en ontdekt dat de wereld in de nacht totaal veranderd is.

Buiten is alles bevroren. De dauw op het gras, de schuttingen, de daken. De sloten tussen de akkers verderop, buiten het dorp. Een plaatje. Stil en geheimzinnig. Het dorp laat niks los. De enige beweging is een kauw die opvliegt uit een boom, misschien geschrokken van een van de vele katten in Oosterwaarden. Mariska realiseert zich nu dat ze haar adem inhoudt.

Het wordt een schaatsdag vandaag.

Ze trekt haar kleren weer uit en zoekt een warme trui, kniekousen, extra sokken, een spijkerbroek. De nasmaak van de droom vervaagt en Mariska begint zich te verheugen op een ongewoonlijke dag op het ijs met haar klas. De Schutterij is vast al erwtensoep aan het maken en warme chocolademelk. Beneden zet ze koffie en gaat dan weer naar boven, naar de tweede slaapkamer.

De kamer staat vol met nog steeds niet uitgepakte dozen. Dit zou eigenlijk Riks studeerkamer worden, maar ze weet niet of dat ooit nog gaat gebeuren. Als ze het over samenwonen wil hebben verandert hij snel van onderwerp, of hij zegt geërgerd dat dit nu niet een goed moment is om het te bespreken, of erger: hij zegt dat het een goed idee is in principe, alsof dit de eerste keer is dat ze het voorstelt en hij er nog niet echt over nagedacht had. Mariska schudt de gedachte van zich af en begint dozen open te trekken op zoek naar haar schaatsen.