Peuken

“Ze doen het weer, Wim. Kijk nou.” Hannie tuurt door de vitrage, doekje in de hand, naar de kerk aan de overkant van de straat. In het portiekje staan een paar tieners te roken. Willem zit aan de grote tafel met een ingewikkelde puzzel en een kop zwarte koffie. Hij heeft de randjes af en is nu bezig met een verzameling stukjes in het midden die er allemaal hetzelfde uitzien.

“Het zijn die van hiernaast, en die van dat mens aan de Kerkweg.” Vinnig sopt ze de leerachtige bladeren van een plant af, haar ogen nog steeds gericht op de jongens aan de overkant. “Kijk dan, dat joch heeft een scooter nu. Levensgevaarlijk, die dingen.” Het sop druipt van de bladeren op de vensterbank.

Willem schudt zijn hoofd. “Jammer toch dat ze geen interesse hebben in de schutterij. Dat zou ze nou juist een beetje richting kunnen geven. Misschien moet ik toch nog eens met die jongelui gaan praten.”

“Ben je nou helemaal? Je wil dat tuig toch niet leren schieten?”

Buiten klinkt het knetterende geluid van een scooter die de straat uit scheurt. Hannie rapporteert: “Ze zijn weg. Kijk nou, al die vieze peuken op de stoep. Bah.”

Een eindje verderop gaat een voordeur open. Maria komt naar buiten met een bezem en begint sereen het stoepje voor de kerkdeur schoon te vegen.

Maria wakes up

Maria drifts awake with the dawn chorus, not sure if she really slept at all last night. Her memories of the night seem so complete, she is convinced she heard the church bells chime every hour. She seems to sleep less and less these days. She wonders idly whether this is just what old age does to you: you spend more and more time awake until that final, divine sleep, from which only Christ can wake you.

Maria carefully sits up and puts on her glasses. The pale early morning light only barely colours the room. The chair with her clothes draped over its back, the plain wooden frame of the mirror, the tall thin vase on the dresser, the wardrobe, one door ajar, all seem to hold their breath, listening to the birds. The stillness, the grey tones – she looks around her bedroom as if it is a painting by a Dutch master.

“Thank you,” she whispers to God, before reaching for her rosary. “Thank you for another day.”

Koffietijd

Bep zet koffie. Vorige week waren zo nog over de grens in Emmerich om boodschappen te doen – Duits brood, die koekjes die Hans zo graag lust, bier. Het zou wel een van de laatste keren zijn. Het werd steeds moeilijker met haar heup en Hans werd ook steeds sneller moe. Ze haalt de sachertorte uit de ijskast en zet hem onder een stolp om op temperatuur te komen. Hans houdt niet van te koude taart, het doet zijn kiezen pijn.

De koffiepot, kopjes, schoteltjes, lepeltjes, melk kannetje, suikerpot, bordjes en vorkjes gaan op het dienblad. Bep draagt alles voorzichtig de voorkamer binnen. Hans staat op zodra hij haar hoort en komt op haar af om het blad van haar over te nemen.

“Schätzling, wees jij toch voorzichtig. Straks val je nog om en wat moet ik dan?” Hij lacht, maar zijn ogen staan bezorgd. Ze glimlachen elkaar aan over het dienblad. Hij neemt het over en zet het op de koffietafel. “Roep me volgende keer, verstaan?”

“Ja, verstaan,” glimlacht ze, zoals altijd. Morgen zal ze weer de koffie binnen dragen, en geeft hij haar weer hetzelfde standje, dat weten ze allebei best. Maar dit ritueel is hen even lief als het koffie drinken zelf.

Tuba

“Look, the thing’s got legs,” some wise-guy sniggered. With a sinking feeling, Sjoerd recognised the voice of Maikel, his arch-nemesis from the Kerkweg.

Sjoerd couldn’t see where he was going, and his tuba kept getting stuck as he made his way down the bus. As soon as he got to a group of four seats he sat down with a sigh of relief. He carefully placed his tuba on the seat next to him and wedged his bulky leather shoulderbag between his legs. His mum had told him to keep his belongings close and he knew from bitter experience that this was better advice than even she knew.

It wasn’t long before Maikel’s spotty face appeared over his shoulder.

“He looks lonely,” Maikel said to his friends in a stage whisper. “I’d better go and cheer him up.”

A fourteen year old boy shot out from the seats behind Sjoerd, his jacket zipped up to his chin, baseball cap pulled low over his eyes, swaying to a beat only he could hear. He knocked the tuba off the chair with his knee. It fell on the floor with a heart-breaking thud. Maikel took its place.

“Yo Sjoerd my boy, my brother! You brought this thing for a little show and tell?” He gave the tuba another nudge with his toe, as if it were a dead animal.

“Music lesson,” Sjoerd mumbled – his vocal chords had seized up with dread.

Maikel grinned, then bellowed in the younger boy’s face: “Speak up!”

“Tuba lesson, after school,” he squeaked. He tried to wipe the drops of spit off his face without it looking like that was what he was doing. The older boy’s fingers started patting Sjoerd’s pockets now, feeling them, one by one. Sjoerd looked on as if there was a spider on his clothes.

“There’s a fee for that, my friend. A tuba fee,” Maikel remarked casually, pulling a flat, childish wallet from Sjoerd’s jacket. He opened it and shook it out. Two euros and thirty cents fell out. Maikel grimaced – not a great haul. He dropped the coins into his pocket anyway and tossed the empty wallet on the floor.

“Bring more next time,” he warned, and returned to his seat.

The view from the window was more urban now. Terraced houses lined the street. They passed a row of shops and the bus stopped to let more people on. Sjoerd picked up his tuba with care and held it on his lap, his arms hugging the enormous instrument tightly. Six more stops till school. Nine more bus journeys until the weekend. Eight more weeks until the autumn holiday. Two more years until Maikel finished school. Sjoerd gritted his teeth.

Verjaardag

Je kijkt er zo lang naar uit, maar dan is het alweer voorbij. Esmée is gisteren 6 jaar geworden. De slingers (fel gekleurd, zelf-gemaakt van kringlooppapier, natuurlijk) hangen nog op. Ballonnen zijn milieu onvriendelijk, maar er staan wel overal bloemen uit de tuin en Fleur en Stijn hebben samen een grote kliederposter gemaakt. Tussen de hand- en voetafdrukken staat er in enorme, onregelmatige letters: Lang Leve Esmée. Het accent op de e lijkt er later ingetekend te zijn door een vastere hand.

De jarige is niet blij. Esmée zit op de grond onder haar poster te huilen met de lange uithalen van iemand die al een tijdje bezig is. Voor haar op de grond liggen haar nieuwe kleurpotloden, een houten treintje en een ronde puzzel die papa zelf gemaakt heeft met de figuurzaag. En haastig kapotgescheurd glimmend roze inpakpapier van de V&D.

“Ja, ik dacht, zal ik het nou zeggen of het maar laten, maar anders is het ook zo zonde.” Barbara is aan de telefoon. In haar hand heeft ze een Barbie-pop met een lange zeemeerminstaart en golvend blond haar. De pop heeft een schelpenbikini die net haar volle borsten bedekt.

“We leven heel bewust. Ja, heel lief bedoeld, maar weet je wel dat plastic niet biologisch afbreekbaar is? Het blijft eeuwig in de grond zitten.”

Barbara speelt afwezig met het haar van de Barbie. Esmée ziet het en rent huilend op haar af. Grijphandjes willen de Barbie van haar afpakken. Barbara trekt de pop geërgerd weer terug.

“Dat is dan jouw keuze. Esmee speelt liever met simpele dingen. Met knikkers is ze ook al blij. Als ze tenminste van echt glas zijn natuurlijk. Of van die leuke houten poppetjes.”

Esmée huilt nu zo hard dat het moeilijk wordt voor Barbara om de andere moeder te verstaan. Ze duwt haar dochtertje van zich af en sist: “Ga nou even met die puzzel spelen ofzo, laat mama even met rust.”

“Als dat nou het enige was,” zet ze, onbedoeld fel, weer in, “maar we willen onze dochters een positief vrouw-beeld meegeven. Hoe moeten ze nou later hun plaats in de samenleving innemen als onafhankelijke, volwaardige mensen als ze denken dat een echte vrouw grote tieten en een staart heeft?”

De andere moeder heeft opgehangen. Barbara zucht diep. Terwijl ze op Esmée afloopt om haar te troosten, klinkt er vrolijk gejodel uit de keuken, waar Fleur zingt: “Grote tieten, grote tieten.”

Letter from the Bishop

Dear Bastiaan,

We trust you are settling in well. This letter is to inform you that I have appointed Pastoor Wieringa as your mentor to help your transition. He will be your point of contact in the area. He has served the people of Diedam for many years and his knowledge of both the local area and the people is extensive. Please do contact him at your earliest possible convenience.

I would also urge you to be open with Pastoor Wieringa about the reasons for your reassignment. I believe it to be of great importance to talk through some of your issues to avoid a recurrence of the unfortunate incident.

Regards,

mgr. dr. J.H.M. Schaapman

Haast

Vandaag is Peter aan de beurt om de kinderen naar school te brengen.

“Kom je langs de glasbak?” wil Barbara weten, terwijl ze Albert Heijn tassen vollaad met lege flessen en potten.

Peter, met Stijn op schoot, propt haastig zijn laatste stukje boterham naar binnen. Stijn is nogal onrustig – vandaag is zijn eerste dag op de kleuterschool. “Ja, en langs de papierbak. Ik kan de kranten ook wel wegbrengen.”

Barbara knikt kort. De steeds groeiende stapel kranten bij de voordeur staat een beetje slordig. “Red je het verder? Ik moet nu echt gaan anders mis ik de trein.” Ze schiet haar regenjas aan. Dan haar laarzen. Ze propt haar spijkerbroek in de laarzen en doet haar rugzak om.

“Dag mama!” roepen Fleur en Esmée van de ontbijttafel, hun gezichtjes volgesmeerd met pindakaas. Barbara glimlacht en komt nog even terug naar de tafel om ze een zoen te geven.

“Een pindakaaskusje,” zegt ze. De meisjes schateren vrolijk.

Mama rent de deur uit en springt op haar fiets. Even later is ze de hoek om. Het is twintig minuten fietsen naar het station, maar dat is goed voor de gezondheid – en het milieu natuurlijk.

In de eetkeuken wordt het ontbijt snel opgeruimd. Tenminste, zo snel als Peter dat kan met zijn drie kleine hulpjes. Hij wast snel de borden af met wat overgebleven water uit de waterkoker in een teiltje. Fleur, de oudste van 8, kan net niet bij het kastje waar de ontbijtspullen in kunnen en klautert behulpzaam op het aanrecht. Esmée geeft haar de pot zelfgemaakte jam aan, maar de vingertjes kunnen er net niet bij en met een enorme klap valt de pot op het aanrecht stuk. Huilen, natuurlijk, en glas. Peter schrikt zich kapot, laat de afwaskwast vallen en schiet te hulp. Kusjes, pleister, stoffer en blik, doekjes. De tijd tikt. Nog even en Stijn komt te laat voor zijn eerste dag.

Met behuilde ogen kijken de meisjes toe hoe papa opruimt. Hij schudt het stoffer en blik uit in de kleine vuilnisemmer, bijna leeg omdat alles toch ook hergebruikt kan worden.

“Papa,” Fleur klinkt streng nu. “Het glas moet in de glasbak en de jam bij het compost.”

Papa kijkt op, betrapt. “Niet tegen mama zeggen.”

Fleur blijft streng kijken, maar Esmée grijnst waterig, een groot gat waar haar voortanden eerst zaten.

“Hup, jassen en schoenen aan. We zijn al laat.” Peter laat alles verder op tafel staan en duwt de kinderen de hal in. Regenjassen aan, laarsjes aan, broodtrommeltjes in de tassen. Peter rent nog snel even terug om de boter en de kaas in de ijskast te doen en zijn laptop tas te pakken.

Buiten laadt hij de kinderen in de felgekleurde bakfiets en fietst met een flinke vaart de straat uit. In de hal staan de vergeten lege flessen en de stapel kranten.